Hoe ziet jouw creatieve proces eruit? Begin je met beeld of met tekst?
‘Meestal begin ik te schrijven op de computer. Dan zet ik de structuur uit in een storyboard met kleine schetsjes. In de volgende fase beslis ik welke dieren in het verhaal passen. Dat hangt altijd samen met de logica van het verhaal: in het boek over de walvis moesten dat allemaal dieren zijn die zowel in als rond het water kunnen leven. Het enige personage dat altijd terugkomt, is het genderneutrale ‘Kind’. Het heeft geen naam en geen duidelijk gender - het is meer een soort dan een individu. Als de personages vastliggen, begin ik ze eerst realistisch te tekenen. Daarna vereenvoudig ik ze tot bijna 2D-vormen en zoek ik uit hoe ze bewegen; hoe een dier met vier poten bijvoorbeeld op een ladder zou staan. Pas dan begin ik te drukken.’
Je illustraties hebben een heel eigen uitstraling. Hoe ontstaat die?
‘Ik werk met monoprints: ik druk elke illustratie met de hand, één voor één. De lijnen zijn nooit perfect glad, maar juist een beetje korrelig en speels. Dat geeft een speelse, imperfecte uitstraling, die zo goed past bij mijn verhalen. Daarna scan ik alles in en kleur ik de prenten digitaal in. Het is een combinatie van ambacht en digitale media.’
Hoe ontstaat bij jou het eerste vonkje voor een nieuw verhaal?
‘Toe maar, das! is daar een goed voorbeeld van. Het begon met een herkenbare peutersituatie: een glijbaan op de speelplaats die van bovenaf tóch veel hoger lijkt dan van beneden. De das durft niet, de rij wordt langer, iedereen wacht… tot het kind arriveert, geen zin heeft om te wachten en gewoon langs de verkeerde kant naar boven klimt. De anderen volgen, behalve de das. Pas wanneer iedereen beneden staat te wachten, waagt hij het eindelijk - en blijkt het geweldig leuk. Zo begint het hele spel opnieuw. Voor mij gaat dit verhaal over moed verzamelen, twijfelen, maar ook over hoe leuk dingen worden wanneer je ze samen doet.’
Waarom vinden peuters de stapelverhalen zo leuk?
‘Mijn aanpak was in het begin helemaal niet theoretisch. Ik maakte Mmm… een taart! intuïtief voor mijn zoon omdat het me leuk leek. Maar na al die jaren merk ik waarom peuters dit soort verhalen zó fijn vinden. Ze houden van herhaling en duidelijke patronen: ze begrijpen snel hoe het verhaal werkt en kunnen voorspellen wat er komt. Dat geeft hen houvast én zelfvertrouwen. Tegelijk worden ze verrast door de twist op het einde. De boeken werken bovendien ook zonder tekst: kinderen kunnen zelf ‘lezen’ door naar de beelden te kijken. Al snel kennen ze de repetitieve zinnen uit het hoofd, waardoor ze zich echte lezers voelen. En natuurlijk is er humor: verwachtingen doorbreken, de grappige personages, overdreven mimiek, kleine slapstickmomenten, geluidjes… Dat maakt het spannend én plezierig.’
Je boeken worden vaak voorgelezen. Hoe denk je aan de ouders?
‘Ik wil dat het voor zowel kinderen als ouders leuk is. Daarom kies ik elke zin zorgvuldig en lezen de uitgever en ik de tekst luidop om te controleren of alles ritmisch, vloeiend en grappig klinkt. Het moet fijn zijn om het keer op keer voor te lezen.’