De succesformule van Susanne Strasser: “Ik wil verhalen maken waarin kinderen zichzelf herkennen”

Susanne Strasser
© Michiel Devijver

Waarom blijven peuters keer op keer geboeid kijken naar Susanne Strassers boeken? Tijdens haar lezing in Antwerpen liet ze zien hoe haar vrolijke dierenwereld en speelse stapelverhalen jonge lezers betoveren. ‘Mijn eerste boek maakte ik toevallig voor mijn zoon - ik had nooit kunnen bedenken dat het zo’n succes zou worden.’

Op de Dag van de Europese Auteurs bracht Read for Real samen met partnerorganisatie Iedereen Leest de Duitse prentenboekenmaker Susanne Strasser naar Antwerpen. ’s Ochtends ging ze op bezoek in een kleuterklas, waar ze in een meertalig voorleesmoment samen met Inge Umans de kinderen meetrok in haar vrolijke dierenwereld. In de namiddag stond Strasser voor een volwassen publiek, aan wie ze vertelde over haar creatieve proces en de speelse, stapelverhalen die jonge lezers keer op keer betoveren. Wij gingen met haar in gesprek om te ontdekken hoe die magie ontstaat.

Je hoorde je boek vandaag voorlezen in het Nederlands tijdens een klasbezoek. Hoe voelde dat?

‘Mijn boeken zijn inmiddels in meer dan twintig talen verschenen en ik ben erg blij dat ze ook in het Nederlands beschikbaar zijn. Vanmorgen had ik de kans om mijn boek in het Nederlands te horen tijdens de voorleessessie en het was geweldig om te zien hoe het verhaal in een andere taal tot leven kwam. Ik doe zelf ook workshops en voorleesmomenten in kleuterscholen, naast mijn deeltijdse job als docent aan de hogeschool.’

Hoe begon je als illustrator. Hoe werd je uiteindelijk ook auteur?
‘Mijn eerste boek, Wenn Gwendolin nachts schlafen ging, was mijn afstudeerproject. Daarna werkte ik enkele jaren freelance als illustrator. Toen mijn zoon twee was, schreef ik een verhaaltje voor hem: Mmm… een taart! Ik nam mijn storyboard mee naar de boekenbeurs en tot mijn verrassing toonden verschillende uitgevers interesse. Ik had nooit verwacht dat het zo’n grote reeks zou worden, laat staan dat het wereldwijd zou aanslaan.’

Je boeken vormen een herkenbare reeks. Wat is jouw ‘recept’?

‘Al mijn boeken volgen een vaste, gelijkaardige structuur. Ik vertrek vanuit situaties uit het dagelijkse leven van peuters, zodat ze zichzelf in het verhaal herkennen. Ik werk met een cumulatieve structuur: er komt steeds iets bij, de spanning groeit en dan volgt een grappige twist. De tekst is ook repetitief, ritmisch en er zitten veel grappige geluiden in. En natuurlijk eindigt elk verhaal vrolijk - jonge kinderen kun je nu eenmaal niet zonder happy end achterlaten. De personages zijn dieren, aangevuld met een genderneutraal kind - het ‘Kind’ - zodat elk kind zich ermee kan identificeren. En boven alles: humor is onmisbaar.’

Ik vertrek vanuit situaties uit het dagelijkse leven van peuters, zodat ze zichzelf in het verhaal herkennen. Ik werk met een cumulatieve structuur: er komt steeds iets bij, de spanning groeit en dan volgt een grappige twist.

Susanne Strasser
Susanne Strasser
© Michiel Devijver

Hoe ziet jouw creatieve proces eruit? Begin je met beeld of met tekst?
‘Meestal begin ik te schrijven op de computer. Dan zet ik de structuur uit in een storyboard met kleine schetsjes. In de volgende fase beslis ik welke dieren in het verhaal passen. Dat hangt altijd samen met de logica van het verhaal: in het boek over de walvis moesten dat allemaal dieren zijn die zowel in als rond het water kunnen leven. Het enige personage dat altijd terugkomt, is het genderneutrale ‘Kind’. Het heeft geen naam en geen duidelijk gender - het is meer een soort dan een individu. Als de personages vastliggen, begin ik ze eerst realistisch te tekenen. Daarna vereenvoudig ik ze tot bijna 2D-vormen en zoek ik uit hoe ze bewegen; hoe een dier met vier poten bijvoorbeeld op een ladder zou staan. Pas dan begin ik te drukken.’

Je illustraties hebben een heel eigen uitstraling. Hoe ontstaat die?

‘Ik werk met monoprints: ik druk elke illustratie met de hand, één voor één. De lijnen zijn nooit perfect glad, maar juist een beetje korrelig en speels. Dat geeft een speelse, imperfecte uitstraling, die zo goed past bij mijn verhalen. Daarna scan ik alles in en kleur ik de prenten digitaal in. Het is een combinatie van ambacht en digitale media.’

Hoe ontstaat bij jou het eerste vonkje voor een nieuw verhaal?

Toe maar, das! is daar een goed voorbeeld van. Het begon met een herkenbare peutersituatie: een glijbaan op de speelplaats die van bovenaf tóch veel hoger lijkt dan van beneden. De das durft niet, de rij wordt langer, iedereen wacht… tot het kind arriveert, geen zin heeft om te wachten en gewoon langs de verkeerde kant naar boven klimt. De anderen volgen, behalve de das. Pas wanneer iedereen beneden staat te wachten, waagt hij het eindelijk - en blijkt het geweldig leuk. Zo begint het hele spel opnieuw. Voor mij gaat dit verhaal over moed verzamelen, twijfelen, maar ook over hoe leuk dingen worden wanneer je ze samen doet.’

Waarom vinden peuters de stapelverhalen zo leuk?
‘Mijn aanpak was in het begin helemaal niet theoretisch. Ik maakte Mmm… een taart! intuïtief voor mijn zoon omdat het me leuk leek. Maar na al die jaren merk ik waarom peuters dit soort verhalen zó fijn vinden. Ze houden van herhaling en duidelijke patronen: ze begrijpen snel hoe het verhaal werkt en kunnen voorspellen wat er komt. Dat geeft hen houvast én zelfvertrouwen. Tegelijk worden ze verrast door de twist op het einde. De boeken werken bovendien ook zonder tekst: kinderen kunnen zelf ‘lezen’ door naar de beelden te kijken. Al snel kennen ze de repetitieve zinnen uit het hoofd, waardoor ze zich echte lezers voelen. En natuurlijk is er humor: verwachtingen doorbreken, de grappige personages, overdreven mimiek, kleine slapstickmomenten, geluidjes… Dat maakt het spannend én plezierig.’

Je boeken worden vaak voorgelezen. Hoe denk je aan de ouders?

‘Ik wil dat het voor zowel kinderen als ouders leuk is. Daarom kies ik elke zin zorgvuldig en lezen de uitgever en ik de tekst luidop om te controleren of alles ritmisch, vloeiend en grappig klinkt. Het moet fijn zijn om het keer op keer voor te lezen.’